Menu Sluiten

ON BOUNDARIES

Voor het kunstcentrum Kadmium in Delft verzorgde ik de opening van de expositie van werken van Ivan Grubanov en Stance Oonk.

Meer informatie over de tentoonstelling is hier te vinden.

Dit is de tekst die bij de opening werd uitgesproken:

“Geachte aanwezigen,

‘Datgene wat is, interesseert mij geen zak’ vertelde Stance Oonk mij vorige week in haar Haarlemse atelier. ‘Wat mij boeit is wat er niet is. Of wat er nog niet is’. Stance, vertelt ze mij, is op zoek naar de essentie. Maar die essentie staat niet vast, het is niet ‘iets’ dat is, het is iets in wording.

Stance’s werk gaat over transformaties. Over persoonlijke transformaties; over existentiële, spirituele metamorfoses.

Natuurlijk gaat het dan over de persoonlijke groei. Maar dat is niet het enige. Als ik naar Stance’s tekeningen kijk, moet ik denken aan Freuds adagium wo es war, soll ich werden – daar waar het id was, zal ik worden, die voor Freud de kern van het bewustwordingsproces beschrijft. Maar hier lijkt het niet alleen te gaan om een queeste naar het ik en naar identiteit, eerder zou een ander credo erbij passen: daar waar ik was, zal ooit een ander zijn. Het doel is niet zozeer om jezelf te vinden, maar eerder om buiten jezelf te kunnen treden.

Stance’s werk gaat om het slechten van grenzen, haar tekeningen hebben iets extatisch. Het zal jullie wellicht niet verbazen dat de werkwijze van Stance hierop aansluit. Voordat zij begint te tekenen, gaat zij zich heel lang concentreren, en mediteren, om vervolgens bijna in een soort trance te werken en in één keer iets neer te zetten. En het moet in één keer goed zijn, in één keer staan. ‘Ik weet niet wat ik doe, ik zie pas achteraf wat ik heb gemaakt’, vertelt ze.

Het is een manier van werken waaruit een totale overgave spreekt aan krachten waar je zelf geen bewuste controle over hebt. Zelfverlies om iets van jezelf terug te kunnen vinden, zodat je iets kan vangen dat in wording is.

Transformaties staan ook centraal in het werk van de Servische kunstenaar Ivan Grubanov. Maar dan gaat het eerder om een transformatie van de restanten van een verleden, van iets dat verloren is gegaan.

Zoals u wellicht uit mijn naam kon opmaken, zijn Grubanov en ik voormalige landgenoten. Maar wij zijn ook generatiegenoten, allebei geboren in 1974. En ik beschouw hem als een belangrijke stem van mijn generatie – een generatie die veel heeft verloren en zich heel bewust is van dit verlies. Onze is de laatste generatie die zich de tijden van voor de val van de muur nog bewust kan herinneren. Wij hebben een land verloren, Joegoslavië. Dat land is verdwenen, niet alleen door oorlog, maar ook door het ineenstorten van het socialistisch systeem. En nu denkt u misschien, dat is maar beter ook, want het was een rot systeem, maar er is meer verdwenen dan een corrupt systeem. Er is een wereld verloren gegaan, die ook dromen en idealen had. Op school werd je pionier, je legde een eed af dat je jouw land ging verdedigen, en je geloofde erin. De leus van voormalig Joegoslavië was ‘broederschap en eenheid’ van alle volkeren, en daar geloofde je ook in. En zelfs als je daar niet, of niet helemaal in geloofde, dan nog liet het je niet onverschillig. Op de vlag van de communistische partij stond ‘proletariers aller landen verenigt u!’ en dat was machtig mooi. Die vlaggen van de communistische partij ziet u hier liggen, verwerkt in zijn kunstwerk Love of Liberty Brought us Here.

Die wereld is niet meer. In plaats van broederschap en eenheid van alle Joegoslavische volkeren kwam er oorlog. En die droom van een wereld waar solidariteit over alle grenzen heen mogelijk was, waar is die gebleven?

Die vlaggen, die zijn er nog. Maar waar staan ze nog voor?

Grubanov is toevallig gestuit op vlaggen van de communistische partij in een depot in een stadje in midden-Servië, vuil en verfrommeld, en hij vond ze net gewonde dieren lijken. Hij is ze gaan verzamelen, en hij verzamelde ook vlaggen van landen die niet langer bestaan. Deze vlaggen werden verwerkt in een installatie die Grubanov heeft gemaakt voor de Biënnale van Venetië, vorig jaar. United Dead Nations. Toch eindelijk verenigd, niet op de manier waarop we hoopten.

Ik was eerlijk gezegd verbaasd om te horen dat Grubanov Servisch paviljoen in Venetië mocht inrichten, want u kunt zich voorstellen dat reflecteren op het verleden ven Servië en Joegoslavië, met alle pijn en trauma’s die erbij horen, doorgans niet bij iedereen heel erg welkom is. En Grubanov doet niet anders.

Ik heb heel lang geleden voor het eerst kennis gemaakt met zijn werk, ergens in 2002. Ik was toen zijdelings betrokken bij een congres over waarheid en verzoening, en ik wou graag dat daar ook kunst een rol speelde, niet alleen maar filosofische lezingen, en toen stuitte ik – ik weet niet eens meer precies hoe – op zijn werk The Visitor. Grubanov was toen in Nederland als resident bij de Rijksacademie in Amsterdam, en hij woonde het proces tegen Slobodan Milošević bij. Hij begon te tekenen, en af en toe schreef hij daar ook een zinnetje dat op dat moment door de aanklagers of Milošević zelf werd gezegd erbij. Wij hebben hem toen gevraagd om dat werk te komen presenteren. Ook daar zag je een poging om zich te verhouden tot een beladen verleden door het medium van de beeldende kunst, en om daarvan te getuigen.

Maar goed, terug naar de vlaggen. Sinds de United Dead Nations hebben de vlaggen alweer een volgende transformatie ondergaan. De laatste serie werken die Grubanov maakte zijn schilderijen, onlangs allemaal geëxposeerd in de galerij Ron Mandos in Amsterdam. Grubanov heeft op grote doeken leuzen geborduurd die afkomstig zijn van verschillende nationale vlaggen. Et pluriubus unum, staat er, of desire the right. Vervolgens zijn de schilderijen gemaakt door de verf met de kwast door deze vlaggen heen op de doek te drukken. De verfresten die u op deze vlaggen ziet zijn dus ontstaan tijdens het maken van die serie schilderijen. Er is een soort negatief van de schilderij daarop gebleven. Deze vlaggen, in hun laatste transformatie, zijn een medium geworden om iets te creëren uit de restanten van een wereld die verloren is gegaan. De verfresten getuigen daarvan.

Sprekend over een wereld die verloren is gegaan, wil ik ook even stilstaan bij het feit dat het vandaag 11 september is. Het is vandaag precies 15 jaar geleden dat de aanslagen op Twin Towers zijn gepleegd. Met die aanslagen is ook een wereld verloren gegaan, de zorgeloze nineties lagen in een klap achter ons, de wereld leek ineens een stuk grimmiger, en in greep van angst. Hadden wij gehoopt op een wereld waarin de grenzen niet langer toe doen, leven we u in een wereld waarin de grenzen een keiharde realiteit zijn. Vooral als je je aan de verkeerde kant daarvan bevindt.

En over grenzen gesproken wil ik ook even erbij vermelden dat u volgende week hier een bijzondere film kunt zien, Last Wall, van Haider Aljezairi. Gefilmd in Koeweit en Irak, de film vertelt het verhaal van dorpelingen die gedwongen zijn om huis en haard te verlaten en tegen IS gaan vechten. Het is geen documentaire, maar een speelfilm, gemaakt op locatie met een crew en acteurs voor wie dit dagelijkse realiteit is. Het is een fictie die niet heel ver van realiteit afstaat. De regisseur, Haider Aljezairi, was oorlogscorrespondent in Irak, heft zich sinds enkele jaren in Nederland gesetteld, en heeft regieopleiding gevolgd op de Willem de Kooning academie. De film is ook geselecteerd voor het Nederlands film festival, en volgende week hier te zien.

Ik heb u in mijn verhaal langs allerlei thema’s rondgeleid, maar ik wil nog een keer uw aandacht terugleiden naar de werken van Stance Oonk. Want als we constateren dat alle onrust in de wereld ons zorgen baart, dan moeten we ook erkennen dat de wereld, en wijzelf, behoefte hebben aan transformatie. De behoefte om een ander te worden. En wij kunnen alleen maar hopen dat kunst, alle kunst maar misschien de beeldende kunst in het bijzonder, een medium kan zijn van die transformatie, van die ‘wording’.

Ik hoop dat als u naar Stance’s tekeningen kijkt, u al die complexiteit ziet die hoort bij transformatie, bij het slechten van grenzen. Eenzaamheid en contact, verlatenheid en heelheid, geweld en liefde, het mannelijke en het vrouwelijke, kramp en gelatenheid zitten daar naast elkaar, en door elkaar.

Ik hoop dat u ziet dat je niet helemaal aan jezelf bent overgelaten in die verandering. Er zijn boodschappers, vaak in de vorm van dieren, kraaien, schildpadden, herten, beren, die in contact staan me de ‘gene zijde’ of iets belangrijks belichamen, kracht, of zuiverheid.

Er is een menselijk figuur die vaak terugkomt op de tekeningen, androgyn, met benen in een wijd spreidstand, in een houding die even kwetsbaar is als een beetje dreigend. Ik noem hem, of haar, de poortwachter. Maar ik weet niet of hij iets bewaakt of uitnodigt om te passeren. Misschien beide.

En ik hoop ook dat wanneer u naar de tekeningen van Stance kijkt u zich realiseert dat wanneer datgene wat er is je geen zak interesseert, dit betekent dat je geen gevangene wilt zijn van wat er reeds bestaat; dat dit alleen maar kan uit liefde voor wat er zou kunnen zijn.”