Menu Sluiten

DE LEIDER ALS VLEESGEWORDEN VERLANGEN

Filosofie Magazine nr. 2/2008, door Ivana Ivkovic.

Waarom falen redelijke argumenten tegen populisten? Omdat ze niet appelleren aan de rede, maar aan het verlangen. Het verlangen van het volk om één te worden belichaamd door een sterke man. Dit is gevaarlijke fictie, maar toch kan democratie zonder verlangen niet bestaan. Over de economie van het verlangen, en het verschil tussen Verdonk en Obama.

Op haar weblog verklaart Rita Verdonk dat zij haar politieke beweging Trots op Nederland heeft opgericht voor die 99 procent van de Nederlanders ‘die zich niet langer vertegenwoordigd voelen door de Haagse bestuurselite’ en die, net als zij, ‘er schoon genoeg van hebben dat de problemen waar ze dagelijks mee te maken hebben nauwelijks bespreekbaar zijn, laat staan aangepakt worden.’ Verdonk wil een platform bieden voor ‘alle Nederlanders die snakken naar daadkracht en duidelijkheid in de politiek.’

Nu is er op zich niets vreemds aan dat een politicus die oppositie voert de pijlen richt op het establishment (hoewel het natuurlijk wel vreemd is dat nota bene een ex-minister zichzelf deze rol heeft aangemeten). Ook merkwaardig is dat Verdonk nergens zegt waar deze vertegenwoordiging heeft gefaald; zij keert zich in principe tegen de kloof tussen burger en de politicus of de vertegenwoordiger, en belooft impliciet deze kloof met haar daadkracht te dichten. Niet voor niets is Trots op Nederland een ‘beweging’, waar je geen lid van kunt worden, en geen partij. Een partij hoort immers ook bij het establishment, terwijl een beweging iets van het volk zelf is. Verdonk appelleert niet alleen aan de frustratie en de verontwaardiging van de burger over Den Haag – die zijn tenslotte van alle tijden –, maar aan het verlangen van de burger om met ‘zijn’ politicus en diens beslissingen, en dus met de koers die zijn land volgt, samen te vallen. De burger en de politicus, versmolten tot een organische eenheid, zouden eindelijk met één stem spreken en dezelfde wil ten uitvoer brengen.

Bezien vanuit het werk van de Franse filosoof Claude Lefort is het uiterst gevaarlijk om deze kaart in het politieke spel te spelen. Niet zozeer omdat hier een appèl wordt gedaan op het verlangen naar eenheid, maar vooral omdat dit verlangen zo wordt verdraaid, dat het lijkt of die duidelijkheid en eenheid in de politiek binnen handbereik zijn – slechts één stem van ons verwijderd – en dat die stem de kloof kan dichten.

In de visie van Lefort wordt elk politieke systeem – en democratie in het bijzonder – getekend door een breuk, door gespletenheid. In een democratie spreekt het volk niet met één stem; er is eerder een veelstemmigheid, en die vele stemmen spreken elkaar tegen. Bovendien zijn er altijd vertegenwoordigers die namens de anderen spreken. Zij zijn verkozen, maar hun standpunten en hun keuzes vallen niet altijd samen met die van hun kiezers. Dit kan frustratie en vervreemding bij de burger opwekken – getuige de veelgehoorde kwalificatie ‘de zakkenvullers in Den Haag’. Temmidden van deze splijting en onoverzichtelijkheid wordt het verlangen naar eenheid geboren. De maatschappij verlangt ernaar haar gespletenheid te overstijgen en één te worden, heel te worden. Maar een politieke gemeenschap kan nooit die eenheid worden, eenvoudigweg omdat zij altijd uit ‘velen’ bestaat. Zij kan slechts in fictie, in verbeelding, een eenheid worden, doordat de maatschappij zich identificeert met een beeld dat voor de eenheid van allen staat. Door zich in dit beeld te spiegelen kan de maatschappij eindelijk ‘zichzelf zien’, voor zichzelf zichtbaar worden. Dit beeld zou eenheid en duidelijkheid scheppen, waarin de chaos van veelstemmigheid eindelijk zijn rustplaats vindt. Maar die eenheid is nooit feitelijk, en in die zin werkelijk, zij is altijd slecht symbolisch, net zoals een vlag of een volkslied ook symbolen voor een land zijn.
 

Narcissus

Daarom is de eenheid, die bijvoorbeeld een vlag of een volkslied veronderstelt, altijd fictie. Het beeld van eenheid van een maatschappij blijft immers getekend door een breuk. De enige manier om die eenheid te bewerkstelligen is door zich te identificeren met een afgesplitste voorstelling van zichzelf. De breuk wordt niet geheeld, het verlangen is in die spiegeling niet verdwenen, maar wordt juist geïntensiveerd. Het beeld dat we zien, staat tegenover ons, maar we willen er toch uit alle macht mee samenvallen. Net als in het verhaal van Narcissus zuigt het beeld ons naar zich toe, en net als hij die zijn eigen spiegeling in wateroppervlakte zag en er onweerstaanbaar erdoor werd aangetrokken, trekt het beeld van eenheid ons aan.

De eenheid, ontsnapt ons altijd, omdat zij fictief – slechts een beeld – is. Zij moet steeds opnieuw bezworen en bevestigd worden, zoals in de rituelen die wij kennen: de vlag hijsen, het volkslied zingen, de dag van de bevrijding vieren. Maar deze rituelen veranderen niets aan de fictieve status van de eenheid. Nog steeds is er een breuk, nog steeds bestaat die eenheid slechts in onze verbeelding. Om deze breuk te helen zou het beeld, zoals Lefort het beschrijft, vlees moeten worden. Dit is waar de sterke man – de leider – in het spel komt. Hij belichaamt zelf de eenheid van het volk. Hij is, beschrijft Lefort de ‘incarnatie’, letterlijk: het vleesgeworden volk zelf. Wij zijn hem.

(…)

Klik hier om het hele artikel te lezen op de website van Filosofie Magazine.