Menu Sluiten

DE KNUTSELENDE MENS

Filosofie Magazine nr. 4/2014.

Waarom willen wij consumenten toch apparaten die kant en klaar zijn en het altijd doen?  Juist knutselen kan heel bevrijdend zijn. Zet de zaken naar je eigen hand!

Mijn opa wou altijd alleen maar Duitse kwaliteitsmerken hebben. Of het nou een auto, een wasmachine of een stofzuiger was, als je een Mercedes, een Miele of een Bosch kocht, dan had je geen kopzorgen. En het liefst wilde hij de apparaten hebben zoals ze vroeger werden gemaakt, want dan waren ze oerdegelijk, niet te vergelijken met de ‘troep van tegenwoordig’. Laatst was mijn vaatwasser kapot en ik moest aan opa denken. Had ik destijds toch voor een Duits kwaliteitsmerk moeten kiezen?

Het is frustrerend als de apparaten waarop we ons in het dagelijks leven verlaten het laten afweten. We voelen ons dan zelfs een beetje in de steek gelaten. Maar in feite vertelt deze frustratie ons hoe we eigenlijk denken over techniek. Ons techniek-archetype is een Miele-wasmachine die dertig jaar zonder haperen dienst blijft doen. Wanneer hij het plots niet meer doet, voelen we ons machteloos.

Maar  het is niet terecht van apparaten een extreme levensduur te verwachten. Dat zou neerkomen op pure utopie. De waarheid is namelijk dat techniek doorgaans onze voortdurende aandacht vergt om te blijven werken. We zouden eens moeten leren om bij het woord ‘techniek’ aan het krakkemikkige wagentje van stripfiguur Guust Flater te denken, in plaats van aan Miele. Ook zouden we moeten proberen om meer dan passieve techniekconsumenten te zijn – wat overigens onvermoede mogelijkheden biedt.

Lekke band

Gek dat we ooit zijn gaan denken dat technische apparaten het gewoon zouden doen wanneer ze aan zichzelf worden overgelaten. Er is immers meer dan genoeg empirisch bewijs voor het tegendeel. Hoe vaak komt het niet voor: de computer is gecrasht, de fiets heeft een lekke band, het lampje is kapotgesprongen, de auto heeft een rare piep, de kraan lekt, en die stomme vaatwasser doet het nog steeds niet. Wordt het niet de hoogste tijd om te erkennen dat ‘defect-zijn’ geen uitzondering is, maar een normale toestand? Technische apparaten hebben óns nodig om het te blijven doen.

Toch zijn we geobsedeerd door de autonomie van onze artefacten. Wanneer de Duitse filosofe Hannah Arendt schrijft over de Homo faber, de makende mens, stelt ze dat de producten van zijn werk in het teken staan van bestendigheid. Technische artefacten geven stabiliteit en vorm aan onze levens, zoals het huis waarin we wonen ons herbergt. Dankzij techniek kan de mens aan pure overleving ontsnappen.

Filosofen denken al sinds Aristoteles dat maken een proces is met een welomschreven en te bereiken doel. Een meubelmaker maakt een stoel, en die stoel is op een gegeven moment af. Maar er is veel op deze notie af te dingen. Is er een product gemaakt, dan moet dat nog worden afgewerkt, ingelopen, geijkt of geïnstalleerd. En een poosje later bijgesteld, aangepast, bijgevijld en geüpdatet. Vervolgens hersteld, gerepareerd, verbeterd. Dat alles is de normale gang van zaken. Er is hier meer aan de hand dan  noodzakelijke reparatie of onderhoud. Er is geen fase in het bestaan van een technisch artefact waarbij de mens níét continu nodig is. ‘Maken’ is dus een proces met een heel lange staart. Zo lang dat we beter zouden kunnen zeggen dat een ding nooit helemaal ‘af’ is.

Sleutelen

Vanuit het geloof in de autonomie van artefacten hebben we een paradoxale omgang met techniek ontwikkeld. 

(…)

Klik hier om het hele artikel te lezen op de website van Filosofie Magazine.

Afbeelding door Bruno /Germany via Pixabay